Het Poolse klimaat staat afwisselend onder invloed van Atlantische, Oceanische en Aziatische, continentale luchtmassa's. Het klimaat vormt dan ook een overgang van een gematigd zeeklimaat in het Noorden en Westen van het land naar een droog landklimaat in het Zuiden en Oosten. Westenwinden heersen tegenover de oostenwinden, maar over het algemeen wordt het weer gekenmerkt door snelle wisselingen, vooral in de winter en in de bergen. De Atlantische invloed neemt naar het Oosten toe af en daardoor valt er in het Westen meer neerslag dan in het Oosten.
De neerslag bedraagt in de Karpaten en de Sudeten meer dan 800 mm per jaar; op de plateaus en meervlakten 600 tot 800 mm per jaar en in Centraal-Polen 450 mm. In de maanden september en oktober, de zogenaamde “gouden herfst”, wordt het al frisser en neemt de kans op regen toe, maar het aantal zonnige dagen is nog behoorlijk groot. De maanden november en december worden gekenmerkt door veel mist en regen. In de hoofdstad Warschau is januari de droogste en juli de natste maand. De wintermaanden duren van ca. half december tot april en zijn door de oostenwinden in het oosten en het zuiden erg streng met veel sneeuwval. Rivieren en meren zijn in die regio’s dan grotendeels bevroren. In de lange, warme zomerperiode stijgt de temperatuur gemakkelijk tot boven 25°C; in de winter daalt het kwik tot ver onder 0°C. De laagste temperatuur ooit werd in de middelgebergten gemeten: -42 °C; de hoogste in Neder-Silezië (40,2 °C). De gemiddelde temperatuur in juli bedraagt 17°C aan de Oostzee tot 20°C in het Zuidoosten; de gemiddelde januaritemperatuur varieert regionaal van -1°C tot -6°C.